Willem Boogman

composer


 

words

Exsilio–

duration

28 minutes

scoring

soprano, piano, percussion

commissioned by

Fonds voor de Scheppende Toonkunst

dedicated to

Charlotte Riedijk

premiere

March 6, 1994
Vara Matinee/IJsbreker, Amsterdam

Charlotte Riedijk - soprano
Marien van Nieukerken - piano
Arnold Marinissen - percussion

buy the score

>>

Le Parole

for soprano, piano, percussion and soundprojection (1989-1991)
new version with extended part for percussion in preparation


contents

Le Parole (Italian title!) consists of six songs (in French) and an introduction which follow each other without a break.

1. Introduction
2. Moira
3. Hélène
4. Iphigénie
5. Xanthippe
6. Ophélie
7. Jeanne


audio

1. Introduction & Moira







2. Hélène







3. Iphigénie & Xantippe







4. Ophélie-







5. Jeanne







[mp3]


libretto

(in French & Italian)


program note

Le Parole werd geschreven voor sopraan, piano en slagwerk, op de gelijknamige gedichtencyclus van Exsilio–. (De titel is in het Italiaans, de gedichten zijn in het Frans.)
Exsilio– schreef zes gedichten met als thema het noodlot. Aan de hand van het leven van zes vrouwen wordt verhaald hoe, na het ingrijpen van het noodlot, berusting en gelatenheid hun ten deel valt.

Eén van de vrouwen is de personificatie van het noodlot zelf namelijk Moira, de titel van het eerste lied. In dit lied komt meer in het algemeen het droevige lot ter sprake dat gedragen wordt met de inzet van heel een leven; wakend bij het altaar dat gewijd is aan Moira, opdat de toorn van de goden ons niet treft.
Het tweede lied, Hélène, is een brief gericht aan Helena. Vanuit haar ballingsoord zou zij troost kunnen bieden juist omdat zij weet moet hebben van wat het is om te berusten in het lot na alles wat haar overkomen is.
Het derde lied, Iphigénie, beschrijft hoe Iphigenia het voorwendsel dat nodig was om haar te offeren niet gelooft. Zij ontsnapt ternauwernood aan de dood, maar dat is slechts uitstel van het wrede lot dat haar nog zal treffen.
Het vierde lied gaat over Xanthippe die het einde van Socrates altijd voorvoeld heeft. Maar op de dag dat Socrates de gifbeker zal drinken wordt zij door hem weggestuurd. Zij blijft ongerust en alleen achter.
Het vijfde lied is gewijd aan Ophélie. Als bij de schilder Millais of bij de dichter Rimbaud is hier het moment behandeld dat zij wegdrijft in de stroom waarin zij zich verdronken heeft. In het gedicht verdwijnt zij tweemaal: eerst in het beeld dat geschilderd is en vervolgens uit het beeld.
Het laatste lied vat in enkele woorden het leven samen van Jeanne, de vriendin van Japie uit Nescio’s novel De Uitvreter. De cyclus eindigt met Japie die op Jeanne’s dood gewacht heeft.
De liederen worden voorafgegaan door een introductie die bestaat uit zes inventies in ruis over de zes titels van de gedichten.

In de sopraanpartij is van de gewone spraakarticulatie, waarmee klinkers en medeklinkers gevormd worden, een instrument gemaakt waardoor het mogelijk is heel precies kleuren en ruisklanken te produceren. Ook de piano kan ruisklanken voortbrengen. Het slagwerk, dat voor een deel bestaat uit kapotte instrumenten, is onder meer bedoeld als een uitbreiding van pianoresonanties. Omdat alle ruisklanken zacht zijn moeten zij door middel van versterking duidelijker hoorbaar gemaakt worden. Vandaar dat de muziek niet anders dan via luidsprekers uitgevoerd kan worden.

Alle ruis heeft toonhoogte. Dit intrigerende feit is een extra uitdaging om ruisklanken in een compositie op te nemen. Maar meer nog lijken de gedichten te vragen om een muziek waarin onderdelen van woordklanken uitgroeien tot een lied of waarin een toon overgaat en verdwijnt in het ruisen van haar kleur.
De liederen zijn wellicht als volgt te situeren:
Het altaar van Moira is in onbruik geraakt. Alleen de lege plaats doet vermoeden wat hier ooit speelde. De woorden van de gedichten spelen hier nog. Zij dichten de leegte. Zij zingen de leegte als ›liedwoorden‹ met het ruisen als offerrook van het gezegde.
De vertaling van Le parole zou dus kunnen luiden: De Liedwoorden.

(1994/1999)


percussion

1. Four cymbales antiques, laid on a cloth to shorten the decay.
2. Small woodblock, length: ca 190 mm.
3. Mokushõ, ø ca 145 mm.
4. Two small overlapping cymbals. They are tied up by a rope to avoid moving.
5. Mokushõ ø ca 170 mm., placed on:
6. Small oil/paint can, both sides closed, height: ca 185 mm., ø ca 225 mm.
7. Large woodblock, length: ca 280 mm., placed on:
8. Can, open to the bottom, height: ca 250 mm., ø ca 275 mm.

The percussion instruments 2, 3, 5 and 7 (all made of wood) consist of ›cracked‹ wood. (Ger.: ›gebersten, mit einem Riß‹; Dutch: ›gebarsten, met een scheur‹.)
This fact should be mentioned in the programme!
The cans 6 and 8 are played on their sides (or on the rim if indicated). They must be placed in such a way that a tremolo is feasible with one mallet between the two cans. The cans must have a rapid decay with dissonant partials present. The wood blocks 5 and 7 that are placed on the cans must affect the resonance of the cans, and cause them to vibrate, thus producing a mixed sound of both wood and metal.

The percussionist may be asked for conducting some parts that are difficult to play together.


light

(Optional)
Le Parole is performed in a dark hall. There must be only spots on the places where the sound is produced: on the soprano, piano, percussion and on the loudspeakers.


sound projection

1. General remark
The soprano, piano and percussion are amplified. Amplification is not intended for its own sake, but to allow resonances to be a significant part of the composition.
Resonances should be considerably enlarged without harming their characteristics and projected high above the players by two (or more) loudspeakers. Do not perform this piece in a low, small concert hall.
As tones are amplified too, the players should always adjust the sound intensity of the ›normal‹ tones to that of the noises: the ›natural‹ differences in dynamics must more or less be preserved.
The sound projectionist, operating the mixer, should adjust balances during the performance.

2. Speakers and mixer
The sound the speakers project must be mixed perfectly in the same panorama with the soprano and the instruments. A small mixer is operated in the middle of the hall.

3. Soprano
The soprano should not sing directly into the microphone. The microphone should not stand too close to her.
The audience should have the feeling as if it is sitting as close as 1 or 1.5 meter from the soprano.
During the performance her voice must be constantly balanced with the other performers by the sound projectionist.

4. Piano
The audience should have the feeling as if it is sitting as close to the piano as the pianist.
During the performance the piano must often be adjusted by the sound projectionist in order to restore balance between tones end noises.

5. Percussion
The sympathetic resonances of the instruments 5-6 and 7-8 must be made clearly audible. It may be necessary to have more microphones in order to achieve a balanced (stereo) percussion sound projection.

Back to top